Lunchen met een kluizenaar
Zijn de enige kluizenaars die we vandaag de dag kennen gameverslaafden die hun huis niet meer uitkomen of bestaan ze ook nog echt met witte baard en grot? Tjebbe ondernam een grote zoektocht (want hoe vind je in hemelsnaam iemand die niet gevonden wil worden?) en sprak met een interessant exemplaar.
Het is zeker twintig graden en midden in de herfst. Nadenkend over klimaatverandering en Al Gore sta ik voor de plaatselijke supermarkt. Ik wacht op mijn vriend Jack. Nou ja, het is niet echt een vriend maar zo ga ik hem vandaag aanspreken want ik heb dringend zijn hulp nodig. Zonder haast en met een grote stapel daklozenkranten onder de arm komt hij de hoek om gelopen. ‘Haai men,’ groet hij me met zijn zware Amerikaans accent. Op de vraag of ik een krantje van hem mag, antwoordt hij ‘Nee men, je vader heeft deze editie gister al gekocht, volgende week is er een nieuwe.’ Ik leg hem uit dat ik een zwerver zoek, en niet zomaar een zwerver maar eentje die eigenlijk niks met buitenwereld te maken heeft, een soort moderne kluizenaar. Jack kent zelf niemand maar hij weet ‘Just the guy’ die me het wel kan vertellen.
Drie dagen later en na een tocht langs de gehele Amsterdamse daklozenscene, rij ik in inmiddels vreselijke moessonregens de stad uit. De op het servetje neergeschreven aanwijzingen zijn uitgelopen, gelukkig weet ik nog ongeveer wat er stond. Bij het verkeersbord ‘IJmuiden 10 km’ ga ik de weg af. Voor me ligt een enorm stuk braakliggende grond. Mijn enige referentiepunten zijn de boerderij aan mijn linkerhand en heel ver weg de grote en door de dichte regen bijna onzichtbare havenhijskranen. Ergens daar tussen woont hij, mijn kluizenaar. Deze man heeft geen half werk van gemaakt van het afzonderen. Het is een kuteind rijden en mijn nieuwe motor heeft het zwaar met het terrein. Meerdere keren komen we vast te zitten en moet ik mijn al even nieuwe motorlaarzen diep in de modder steken om weer los komen. Door er bijna in te rijden vind ik uiteindelijk de sloot waar ik moet zijn. In de verte ligt een klein roestig bootje.
‘Ik dacht, ik ga ergens wonen waar niemand mij meer wat kan maken’
Met een licht trillende stem roep ik een paar keer hallo voordat er iemand de deur opendoet. ‘Wat kom je doen jongeheer?’ vraagt de man die zich voorstelt als Wald en mij in uiterlijk opzicht in ieder geval reuze meevalt. Na het een en andere te hebben uitgelegd zitten we binnen boven de door mij meegebrachte dampende zak met McDonald's-voer. ‘Een kluizenaar ja, zo noemen ze mij geloof ik wel eens. Ik kies er wel bewust voor om zo min mogelijk met mensen te maken te hebben, en als dat betekent dat ik een kluizenaar ben is dat zo. Er komen wel eens vaker types als jij langs, soms brengen ze eten mee, maar ik denk dat ik ook wel zonder zou kunnen. Ik kweek wat sla en aardappels en soms vang ik een konijn of een vogel. Ik heb hier voor de rest alles wat ik nodig heb. Een dak boven mijn hoofd en in de winter stook ik de kachel.’
De omgeving van de kluizenaar
Ik vraag Wald naar zijn verleden en merk dat hij het lastig vindt om er over te praten, na enig aandringen barst hij echter los. Een verhaal vol tegenstrijdigheden en belachelijke claims (hij zegt net als ik achttien te zijn maar ziet er uit als zestig) maakt niet veel meer duidelijk dan dat hij waarschijnlijk in Duitsland is geboren en als kleine jongen naar Nederland is verhuisd. ‘Toen ik uiteindelijk in Amsterdam aankwam heb ik daar een paar jaar op straat geleefd, ik was niet verslaafd of zo iets maar ik had geen paspoort en het beviel me wel op de straat. Toch was dat ook niet het paradijs, ik zat vaak in de cel en had altijd ruzie met de junkies. Op een gegeven moment ben ik ergens bij de spoorlijn gaan wonen, ik had daar allemaal mooie spulletjes dus dat was een fijne zomer. Totdat ik op een dag terug kwam en alles weg was. Dat moment vergeet ik nooit meer, dat kun je maar een paar keer aan in je leven, dat alles wat je dierbaar is opeens verdwijnt. Ik had het helemaal gehad. Ik dacht, ik ga ergens wonen waar niemand mij meer wat kan maken. Toen heb ik dit scheepje gekocht. Voor tien gulden. En sindsdien leef ik hierop. Wel op verschillende plekken hoor, maar altijd zo ver mogelijk van iedereen vandaan. De eerste jaren sprak ik helemaal met niemand, later begonnen er wel eens mensen langs te komen, ja dat is dan wel een keertje leuk, even mijn verhaal kwijt en zo. Maar ik ben altijd weer blij als ze weg zijn. Ik verveel me nooit.’
Ik wil van Wald weten of hij wel eens van Balkenende, Irak of Talpa heeft gehoord maar hij is duidelijk niet geïnteresseerd en kijkt heel vies als ik er een beetje om moet lachen. ‘Weet je wat het is, ik begrijp heus wel dat de wereld veranderd is maar ik ben daar helemaal niet mee bezig. Jij kan het misschien grappig vinden dat ik niet weet wat jij daar in je hand hebt (een iPod), voor mij is het heel grappig dat jij straks terug gaat naar een wereld waarin je jezelf de hele tijd moet aanpassen. Ik leef mijn leven puur zoals ik dat wil, en echt waar, ik zou voor geen goud met jou willen ruilen.’
Als ik weg rijd is het gestopt met regenen. Ik kijk achterom, Wald is alweer naar binnen. Ik denk aan hoe hij me vroeg niet meer terug te komen. Als ik hem een plezier wilde doen moest ik maar een pakje koffiebonen bij de deur zetten. Morgen staat er een hele zak.
(28 reacties) Reageer >>

