Polen
Het is een ongelofelijke kutdag. Een dag waarop ik voor de eerste keer in zes maanden probeer mijn dag en nacht ritme gelijk te trekken aan dat van de natuur. Wat inhoudt dat mijn nachtrust bestond uit twee en een half uur duizelig van bier het bed bezweten. Nu is het ochtend. Dat is het akeligste gedeelte van deze kutdag. Met een ontbijt bestaande uit een glas water en twee pillen waarvan ik hoop dat ze tegen koppijn helpen ga ik achter mijn bureau zitten. Een wankel kutbureau. Het irritante kutdeuntje bevestigt dat de langzame kutcomputer klaar is met opstarten. Mijn koude, nog naar rokerige cafés ruikende vingers zweven iets boven het plakkerige toetsenbord. Mijn stekende keel brengt een van zelfmedelijden doordrenkte kreun voort. Dat er een column binnen nu en het einde van de dag op het lege scherm moet verschijnen voelt als de grootste uitdaging die ik ooit gekend heb. Maar goed, de pillen schijnen te werken, de steek in mijn rechter hersenhelft is zeker gehalveerd en uitdagingen zijn er om te nemen. Met iets wat bijna goede moed te noemen schrijf ik zowaar een openingszin.
‘Godallejezus!’ roep ik in paniek wanneer het zware beeldscherm opeens van zijn stapel boeken afvalt. Verbaasd kijk ik om mij heen. Dan gebeurt het weer, een enorme klap die het hele huis op zijn grondvesten doet trillen. Het raam wat ik openschuif om te kijken wat er in hemelsnaam aan de hand is schudt bij de derde klap in zijn sponningen. Een blik naar buiten leert snel wat er gaande is, renovatie. Een vies woord. Zeker als je op een gracht woont waar elke week één van de vierhonderd jaar oude huizen er wel aan toe is. Met afgrijzen zie ik hoe deze keer het huis van mijn buren aan de beurt is. Het normale geluid van schuurmachines, drilboren en enorme dieselgeneratoren zijn geen probleem, die hoor ik al bijna niet meer. Maar deze enorme dreunen zijn iets nieuws. Ik schreeuw naar beneden wat ze wel niet denken waar ze mee bezig zijn en of ze doorhebben dat ze ondertussen mijn huis slopen. De werklui kijken elkaar stompzinnig aan en lijken niet in staat te antwoorden. Even later staat de aannemer voor mijn deur. ‘We heien een nieuw funderinkje onder het huis, duurt een weekje, misschien twee als het rot in de oude palen onverwachts meer is.’ Vol ongeloof kijk ik de man aan. Ik mompel hem een dankwoord toe en wil me omdraaien als me opeens iets opvalt. De bouwvakkers waar de man zich nu tot heeft gericht zijn geen Hollandse polderknapen. Hun rare gebrabbel is onmiskenbaar hetzelfde taaltje als waarin er ooit tegen mij geschreeuwd werd toen ik met zes dronken vrienden een Poolse stripclub dat een hoerenhuis bleek te zijn ontvluchte. Deze nieuwe informatie doet een naar, vals, slecht en schofterig idee mijn hoofd in sluipen. ‘Nee Tjebbe’ zeg ik bij gebrek aan een schouderengeltje maar hardop tegen mijzelf. ‘Dat kun je niet maken, vergeet het maar.’
Drie, met elke vijf seconde een dreun gevulde uren later ben ik de wanhoop nabij. De beginzin trilt maar wat rond op het scherm. Pijnstillers heb ik niet meer. Moraal ook niet. Ik schraap mijn keel. ‘Goedemorgen, spreek ik met de arbeidsinspectie?’ Even later is de vriendelijke meneer aan de andere kant van de lijn helemaal overtuigd. ‘Dat zijn duidelijk gegronde redenen om te vermoeden dat het hier inderdaad gaat om Polen die niet zelfstandig werken. We zullen zo snel mogelijk iemand langsturen meneer.’ Vrolijk fluitend groet ik de zand scheppende luitjes voor de deur als ik even later op weg ben naar een uitgebreide lunch bij Broodje van Kootje. Met een voldaan gevoel lees ik daar alle kranten, wacht ik tot ik weer honger krijg, lunch een tweede keer, praat met ‘Kootje’ die helemaal geen Koot heet maar Priscilla, en vertrek dan pas huiswaarts. Ik kom aan in een overweldigende stilte. Het gedreun is gestopt. De polen zijn vertrokken. Voor de deur zit de verslagen aannemer. ‘8000 euro boete per Pool, dat is 64.000 euro’ barst hij los als ik met gespeelde verbazing naar de plotselinge geluidloosheid informeer. ‘Ik had het risico ook nooit moeten nemen, het hielp mijn bedrijfje, maar nu ben ik failliet.’ In zalige rust begin ik te typen.
Toen.

